Het is 12 november. Stralend loopt
Sandra temidden van al die duizenden andere lopers, over de Verrazana
Bridge van Staten Island naar Brooklyn. Ze loopt de marathon van New
York en kan het nauwelijks geloven. Zij, die absoluut niet sportief
is, geen balgevoel heeft, niet durft te schaatsen, angstig is bij
langlaufen. Maar op haar veertigste heeft ze ontdekt dat ze wél
lange afstanden kan lopen. Bij verschillende halve marathons stond ze
zelfs op het podium. Tweede vrouw in haar leeftijdscategorie. Dit
voorjaar heeft ze een proefmarathon gelopen in Rotterdam. Haar eerste
en dat nog wel in drie uur en veertig minuten. Een geweldige tijd.
Euforisch was ze. De hele week dacht ze dat iedereen aan haar kon
zien wat een fantastische prestatie ze had geleverd. Toen was het in
haar gaan borrelen. Zou het niet geweldig zijn op haar vijftigste de
marathon in New York te lopen? Binnen de drie en een half uur liefst.
'New York, New York'. Vier keer in de week heeft ze getraind, een
strak schema volgend met haar atletiekclubje. Snel na haar werk
loopkleren aan en op pad. Het beheerste haar leven. Ze is
verpleegkundige. Mensen helpen is haar ideaal. Haar werk met
onregelmatige diensten en soms lastige patiënten is zwaar. Met de
trainingen loopt ze haar moeheid er lekker uit. Ze denkt in afstanden
en tijden en als ze een training heeft gemist moet ze die van
zichzelf inhalen. Mark, haar echtgenoot, baalt en verzucht dat ze
verslaafd is, maar dat maakt haar niets uit. Ze voelt zich goed.
De afgelopen dagen waren één groot
feest. De vliegreis, de startbewijzen ophalen. Wat voelde ze zich
klein tussen de majestueuze wolkenkrabbers. Het Empire State
Building, de elegante Chrysler Tower, Time Square. Ze deden een
verkenningsloopje in Central Park en zojuist de start op Staten
Island. Het was koud en nerveus dribbelde iedereen heen en weer. Ze
ging rustig van start. Dat is haar op het hart gedrukt. Door de grote
massa kon dat ook niet anders. Geleidelijk komt er meer ruimte en het
gaat goed. Sandra kijkt gelukzalig om zich heen. Een waterig zonnetje
verwarmt een beetje. Het publiek roept en klapt, voor háár. De
muziek draagt haar. Ze zweeft. Ze kijkt op haar Garmin. Ze zit op
schema. Ze gaat het halen, 42 kilometer en 195 meter, binnen de 3 uur
en 30 minuten. Ze loopt de Pulaski Bridge over. Een cadans van
bewegende voeten op de brug, de kleurige, golvende mensenzee vóór
haar. Op de Queensboro Bridge passeert ze het 25 km punt. Manhattan
is in zicht.
En dan gebeurt het. Enkele meters vóór
haar valt een man. Vreemd, geen enkel obstakel. Sommige lopers steken
hem een hand toe, anderen rennen gewoon door. Sandra aarzelt. Haar
verpleegkundig oog zegt dat dit niet zó maar struikelen is. Moet ze
stoppen? Zijn er geen EHBO'ers in de buurt? Het gonst in haar hoofd.
Ze wil dóór. Haar streeftijd kan ze wel op haar buik schrijven als
ze nu stopt. Maar haar verantwoordelijkheidsgevoel wint en ze knielt
bij de man neer. Ze schudt voorzichtig aan zijn schouders. 'You're alright?' vraagt ze, maar hij reageert niet. Hij is bewusteloos. Ze
legt hem op zijn rug. Het zou wel eens een Nederlander kunnen zijn
met zijn oranje shirtje, schiet het door haar heen. Geroutineerd legt
ze haar oor bij zijn neus en mond. Zijn doorkomende baardstoppels
prikken, zwarte puntjes ontsieren zijn neusvleugels. Ze neemt geen
ademhaling waar. Ze gaat met haar schouders boven de man hangen,
strekt haar armen en plaatst haar handen op zijn borstkas, drukt het
borstbeen in. Ze telt 30 keer, kantelt zijn hoofd naar achteren,
knijpt zijn neus dicht en past de mond-op-mondbeademing toe. Opnieuw
drukt ze zijn borstbeen in.
Er staan mensen om haar heen. Er wordt
geroepen om 911 en al gauw hoort ze de sirene van een ambulance. Twee
stevige verpleegkundigen nemen de man van haar over. Daar staat ze
nu. Ze beeft.
Aarzelend begeeft Sandra zich maar weer
tussen de horde lopers. In een roes loopt ze over Fifth Avenue en
door Central Park. Haar benen zijn niet meer van haar. Ze komt niet
vooruit. Het publiek juicht en roept 'You can do it', maar ze hoort
het niet. Haar hoofd is leeg als ze de finish bereikt. Drie uur en 50
minuten. Tranen springen in haar ogen. Haar tanden klapperen, haar
lichaam trilt. Dit is niet zomaar ontlading. Ze ziet weer die man in
dat oranje shirtje die daar plotseling lag. Ze krijgt een plastic
laken om zich heen, een medaille om haar hals. Vrienden komen op haar
toe en omhelzen haar. Ze barst in huilen uit. Met horten en stoten,
snikkend, probeert ze te vertellen wat haar is overkomen. Heeft ze er
wel goed aan gedaan te reanimeren? Wie weet hoe hij hier uitkomt, of
hij er uitkomt. Ze weet niet eens hoe hij heet. Misschien staat zijn
vrouw hier wel ergens op hem te wachten.
Haar vrienden nemen haar mee naar het
hotel. Ze hebben champagne, maar zij heeft niets te vieren. Ze kan
die man niet loslaten. Ze ruikt hem nog, ze proeft hem weer.
Heimelijk is ze teleurgesteld over haar eindtijd. Haar atletiekclubje
wil uit eten, wil naar de Fun-after-the-Run-Party, maar zij zou het
liefst in bed kruipen. Ze belt Mark. Hij hoort haar kalm aan. 'Ik heb
zó getwijfeld Mark. Ik kon het voor mijn gevoel niet laten om te
kijken of ik wat kon doen, maar ik heb toch niet zo hard getraind om
in New York de verpleegster te zijn? Die eindtijd verdomme, 20
minuten verloren. Ik zou trouwens wel willen weten hoe het nu met die
man is.' 'Ik vind het heel goed wat je hebt gedaan Sandra. Je zou nu
zéker met een geweldig schuldgevoel rondlopen als je dit niet had
gedaan. En je hebt hem ook nog uitgelopen, fantastisch toch meisje,'
troost hij. 'Bel morgen naar de organisatie, dan hoor je hoe het is
gegaan met die man'. Het maakt haar rustiger. Ze gaat toch maar mee
om wat te eten. Ze drinkt een wijntje. Feesten wil ze niet. Alleen
gaat ze terug naar het hotel waar ze als een blok in slaap valt.
De volgende ochtend neemt ze contact op
met de organisatie. Maar ze geven geen persoonlijke gegevens prijs.
Privacy. 'Dat kan toch niet' roept ze verontwaardigd uit. 'Ik heb
iemand gereanimeerd, heb de wedstrijd onderbroken, en nu vertellen
jullie niet eens hoe het met die man is.'
Ze raden haar aan de politie te
benaderen. Daar hoort ze dat de man al in de ambulance is overleden.
Hartstilstand. Ze krijgt zijn naam en woonplaats. Inderdaad, een
Nederlander.
Eenmaal thuis moet ze maar steeds weer
vertellen over die man die daar plotseling lag. Ze zou zijn vrouw
willen bellen, maar ze durft niet. Ze voelt zich schuldig. Misschien
had ze toch anders moeten handelen. Haar collega's kunnen haar niet
geruststellen. Ze droomt over hem die inmiddels een naam heeft. Haar
atletiekclubje mijdt ze. Ze praten alleen maar opgewonden over hun
ervaringen in New York. Ze kan soms zómaar in huilen uitbarsten. Na
een week vindt Mark het welletjes. 'Bel zijn vrouw en sluit het af'
zegt hij geïrriteerd.
De vrouw klinkt bijna blij als ze hoort
wie zij is. 'Ik vind het fijn dat je belt. Ik heb gehoord dat een
vrouw heeft geprobeerd Tjeu te reanimeren, maar niemand wist wie. Jij
bent de laatste die hem in leven heeft gezien. Hij had een
hartstilstand.' Haar stem breekt. Voor Sandra is het goed zo.






