Anders, een beschouwing over gender aan de hand van Frans de Waal
In 2022 verscheen het boek ‘Anders’ van Frans de Waal. Gender door de ogen van een primatoloog. In zijn boek buigt Frans de Waal zich over gender- en sekseverschillen bij de mens en andere dieren. Hij put hierbij uit zijn grote kennis van onze twee naast verwanten: chimpansees en bonobo’s.
Bronnen:
Frans de Waal: Anders, 2022
Margaret Mead: De groei naar volwassenheid. Oorspronkelijke titel: Coming of age in Samoa, 1928, vertaald 1971 door het Spectrum)
Simone de Beauvoir: De tweede sekse. Oorspronkelijke titel: Le deuxième sexe, 1949, vertaald 1978
Eveline Gommers: Hetzelfde anders, 1997
Lezing van Frans de Waal, becommentarieerd door de hersenwetenschapper Dick Schwaab, Amsterdam, november 2022
Louise Fresco, column in NRC, september 2022
Jolanda Withuis: Vrouw en vrijheid, 2023
Er is veel discussie over genderverschillen. Ik vind het af en toe verwarrend. Wat is gender nu eigenlijk? En transgender? Ik zag Frans de Waal, helaas in maart 2024 overleden, tijdens een interview op tv en werd geprikkeld door zijn benaderingswijze van het begrip gender. ‘Dat boek wil ik graag voor mijn verjaardag’ hintte ik mijn zoon en werd beloond met het boek en een mooie tekst van mijn zoon voor in het boek: ‘Voor jou was gender nooit een modegril. Van Simone de Beauvoir tot ‘Hetzelfde Anders’. Met jouw belangstelling was je ‘anders’ lang voordat het onderwerp mainstream werd,’ schreef hij.
En dat klopt. Het was 1997 toen van mij het boek met de titel ‘Hetzelfde Anders’ verscheen. Met dit boek beëindigde ik een landelijk driejarig project 'Seksespecifieke Hulpverlening in het Maatschappelijk Werk' van de branche-organisatie voor maatschappelijk werk, waar ik toen werkzaam was.
Seksespecifieke hulpverlening gaat ervan uit dat een sekseneutrale benaderingswijze van cliënten onrecht doet aan de maatschappelijke realiteit waar mensen als man of vrouw worden geboren. Op basis van sekse ontwikkelen mensen een mannelijke of vrouwelijke identiteit. De laatste jaren zien we dat ook dit nuance behoeft, maar daar kom ik later op terug.
Seksespecifieke hulpverlening is hulpverlening die expliciet rekening houdt met het uitgangspunt dat sekse, geslachtsidentiteit, seksuele voorkeur en maatschappelijke positie van mannen en vrouwen van invloed zijn op hoe vrouwen en mannen in het leven staan en in de hulpverlening terecht kunnen komen. De maatschappelijke sector was zijn tijd vooruit! Vorig jaar woonde ik nog een lezing bij over het seksespecifiek benaderen van vrouwen met hartproblemen!
Het begrip seksespecifiek
Tijdens mijn project hebben we veel gediscussieerd over de term seksespecifiek. In wetenschapskringen gaf men ook toen al de voorkeur aan het begrip gender. Gender is een Engelse term, die verwijst naar de sociaal-culturele betekenis van geslacht. Genderidentiteit is het resultaat van lichamelijke ervaringen, betekenisgeving aan die lichamelijke ervaringen, psychologische processen in relatie tot de eerste verzorgers en de culturele omgeving waarin we opgroeien.
De term sekse zou volgens de voorstanders van het begrip gender vooral te maken hebben met biologische aspecten. Bij de maatschappelijk werkinstellingen voor wie ik werkte en bij het Ministerie van Volksgezondheid en Sport, dat mijn project subsidieerde, was inmiddels de term seksespecifiek zo ingeburgerd dat we besloten deze te handhaven en dan in de brede zin van het woord, zoals hiervoor gender werd ingevuld. In mijn boek heb ik, naast de term seksespecifiek, ook de term diversiteit gehanteerd. In 1997 volstond het al niet de samenleving alleen in te delen in mannen en vrouwen, juist omdat er tussen mannen onderling en vrouwen onderling grote verschillen zijn in ras, klasse, religie, leefstijl, seksuele voorkeur en etniciteit.
Het begrip sekse is in de loop van de tijd steeds meer gezien als het biologische gegeven en gender voor de constructie daarom heen. Gender kent een sociaal-culturele laag die de opvattingen over mannelijkheid en vrouwelijkheid omvat. Een sociaal-structurele laag die de arbeidsdeling tussen mannen en vrouwen betreft en een individuele laag van gendergedrag. Tenslotte is er dynamiek tussen en binnen de genoemde lagen. Sekse en gender kan veranderen in de loop van de tijd of onder omstandigheden.
Voor de hulpverlening betekent dit dat men niet op voorhand al allerlei seksegebonden gedrags- en denkpatronen toeschrijft, maar met de cliënt uitzoekt wat sekse/gender in zijn of haar leven betekent. Welke leerprocessen of boodschappen (van media, kerk, staat, gezin) zijn hiermee gemoeid en welke rol spelen die in de problemen waarin hij/zij is geraakt. Een gedifferentieerde benadering, ook van de hulpverlening. Dé vrouwelijke of dé mannelijke identiteit bestaat niet. Identiteit is niet statisch maar interactioneel.
Ik ben eigenlijk achteraf verbaasd over mezelf, dat ik in 1997 al zo over sekse en gender kon schrijven!
In mijn feministische ontwikkeling ben ik erg beïnvloed door het gedachtengoed van Simone de Beauvoir. ‘Je komt niet ter wereld als vrouw, je wórdt vrouw’. Ik ben me voor dit artikel opnieuw in ‘De tweede sekse’ van de Beauvoir gaan verdiepen. Al in 1949 schreef De Beauvoir sekse als een biologisch gegeven en gender als een sociale en culturele constructie. Daarmee bedoelde ze de manier waarop je wordt opgevoed, de verwachtingen van de mensen in je sociale omgeving of zelfs geïnternaliseerde druk om je te conformeren aan bepaalde stereotypen. Hier legt ze dus nadrukkelijk de invloed van het vrouwelijke bij de sociale en culturele invloeden.
Frans de Waal is van mening dat dit te veel nadruk legt op het genderaspect en onvoldoende op het biologische aspect. Ik ben het niet met hem eens. Simone de Beauvoir onderkent wel degelijk het biologische aspect aan vrouw-zijn. Het lichaam van de vrouw is één van de essentiële elementen in haar situatie in de wereld zegt zij. Maar dat lichaam is niet genoeg om haar als vrouw te definiëren. De biologie alleen kan geen antwoord geven op de vraag waarom vrouwen de Ander zijn. De Beauvoir wijst biologische aspecten dus niet af, maar wil het totale perspectief van haar ontwikkeling zien.
Margaret Mead, etnologe, doet voor haar boek ‘De groei naar volwassenheid’ uitgebreid onderzoek naar de ontwikkeling van meisjes naar volwassenheid op het primitieve eiland Samoa in de Stille Oceaan en bewoond door Polynesische kleurlingen, zoals Mead het toen verwoordde. Mead koos voor de meisjes als onderzoeksobject, omdat ze veronderstelde als vrouw op grotere vertrouwelijkheid met meisjes dan met jongens te kunnen rekenen en omdat, door een schaarste aan vrouwelijke etnologen, de kennis van primitieve meisjes veel geringer was dan de kennis van jongens.
De meisjes leefden primitief. Zij zaten met gekruiste benen op de grond, aten met hun vingers van een rieten bord, sliepen op de vloer in een huis op palen met een rieten dak. Margaret Mead ziet dat jongens en meisjes een heel verschillende opvoeding krijgen. Zowel jongens als meisjes moeten zich bezighouden met babies en kleine kinderen. Maar als de jongens 8 á 9 jaar oud zijn moeten ze zich nuttig maken bij oudere jongens met vissen en aaltjes vangen. Ze léren samen te werken.
Meisjes leren hun verantwoordelijkheidsgevoel goed ontwikkelen, maar écht samenwerken leren ze niet. Ze blijven in het stadium van op babies passen en boodschappen doen tot ze oud genoeg zijn om op de plantages te werken en in de huishouding te helpen. Ze moeten leren weven en hoe vloermatten te maken voor in hun paalwoningen.
De kinderen op Samoa hebben een volledige kennis van het menselijk lichaam en zijn functies omdat ze geen kleding dragen en hun ouders slechts summier. Er is weinig privacy voor seksuele gemeenschap. Masturbatie begint met 6 á 7 jaar en stopt als er heteroseksuele relaties worden aangegaan. Er kwamen ook homoseksuele relaties tussen meisjes voor. De adolescentie van meisjes bestond in het algemeen uit leven als een meisje met veel aanbidders, daarna met iemand uit het eigen dorp trouwen, bij de eigen familie wonen en veel kinderen krijgen.
Mead heeft geprobeerd te verklaren hoe het komt dat de adolescentie bij meisjes op Samoa probleemloos lijkt te verlopen, terwijl dit in Amerika waar zij vandaan komt, vaak met veel problemen gepaard gaat. De samenleving op Samoa was gezapig in 1928 toen Mead dit onderzoek deed. Er is nauwelijks concurrentie. Niemand speelt om een hoge inzet. Niemand wil de dupe zijn van zijn overtuigingen of zich doodvechten om een bepaald doel te bereiken. De bevolking wordt niet bedreigd door armoede, er zijn geen oorlogen. In persoonlijke verhoudingen neemt men het niet zo nauw. In de eerste levensmaanden gaat een baby van hand tot hand en leert het niet zich aan één persoon te hechten. Meningsverschillen tussen ouder en kind worden opgelost door een verhuizing van het kind naar de overkant, tussen een man en zijn dorp door verhuizing van de man naar een ander dorp.
Dit alles leidt tot een pijnloze ontwikkeling van het kind tot vrouw.
Westerse kinderen daarentegen worden geconfronteerd met een wereld van mogelijkheden, verschillende moraliteitsnormen, verschillende seksuele normen. Groepen die algehele vrijheid voor mannen en vrouwen voorstaan, terwijl anderen pleiten voor absolute monogamie. Proefhuwelijken, kameraadschaps- huwelijken, huwelijken op voorwaarden. Een westers meisje krijgt vaak een lange lijst van tegenstrijdige mogelijkheden, een verscheidenheid aan normen. Het Samoaanse kind kent deze mogelijkheden niet.
Kortom: In Samoa ontbreken moeilijke situaties, althans ten tijde van het onderzoek, uiteenlopende keuzemogelijkheden, situaties waarbij angst of lijden of verlangens zijn toegespitst. Niets wat met sekse of geboorte te maken heeft wordt als ongeschikt voor kinderen beschouwd. Animisme, homoseksualiteit, ongebruikelijke vormen van heteroseksuele activiteit zijn noch verboden noch worden ze gesanctioneerd. Er is een veel grotere verscheidenheid van ‘normaal’.
Mead komt tot de conclusie dat het maatschappelijk milieu waar een kind geboren is en wordt grootgebracht een belangrijke rol speelt in het leven van een individu en dit komt overeen met het standpunt van de Beauvoir: een vrouw wordt tot vrouw gemaakt door sociale en culturele invloeden.
Onze huidige maatschappij geeft een grotere ontwikkeling van de persoonlijkheid te zien dan op Samoa. Maar we zien ook veel individuen die het afleggen tegen de gecompliceerde eisen van het moderne leven.
Gender door de ogen van een primatoloog: Frans de Waal onderzoekt twee verwante mensapen op de relatie tussen de seksen: de chimpansee en de bonobo. Daarbij kijkt de Waal alleen naar gedrag en niet naar economische gelijkheid of ongelijkheid, huishoudelijk werk, onderwijs, kledingvoorschriften, omdat er wat dat betreft geen parallelen met dieren zijn. Sekseverschillen in het gedrag van dieren en mensen roepen vragen op die de kern vormen van vrijwel elke discussie over gender bij de mens. Is het verschil in gedrag tussen mannen en vrouwen natuurlijk of kunstmatig? Of, zoals de Beauvoir zegt: worden we tot vrouw gemaakt? Hoe anders is dat gedrag eigenlijk? En zijn er slechts twee genders of meer?
De Waal wil duidelijk maken waarom hij hierin geïnteresseerd is en waar hij staat. Hij erkent dat vrouwen aan het kortste eind trekken in onze samenleving en vrijwel alle andere samenlevingen. Vrouwen hebben moeten vechten voor elke verbetering, van het recht op onderwijs tot stemrecht, en van gelegaliseerde abortus tot gelijke lonen. Dit zijn geen kleine verbeteringen. Sommige rechten zijn pas kortgeleden in de wacht gesleept, sommige roepen nog steeds verzet op en sommige rechten worden binnengehaald maar liggen opnieuw onder vuur. De Waal vindt dit oneerlijk en hij beschouwt zichzelf dan ook als feminist.
Hij constateert dat de minachting voor de aangeboren vermogens van vrouwen in het Westen een lange traditie kent. Schopenhauer, Hegel, Freud, Nietzsche, Rousseau, zij hebben de meest dwaze overpeinzingen geproduceerd als het om vrouwen gaat. Bijvoorbeeld vrouwen blijven hun leven lang kinderen die in het heden leven, terwijl mannen het vermogen hebben vooruit te denken. Zelfs de door de Waal geliefde Darwin ontkwam niet aan deze trend. Hij beweerde dat het vanuit de erfelijkheidsleer gezien een groot probleem is dat vrouwen ooit de intellectuele gelijken van de man worden (1882). Dit alles in een tijdperk waarin ongelijkheid in het onderwijs een gemakkelijke verklaring voor de geopperde intellectuele verschillen kon leveren. Wat Darwins erfelijkheidswetten betreft: de Waal heeft zijn hele carrière gewijd aan de bestudering van dierlijke intelligentie en heeft nooit een verschil tussen de seksen geconstateerd. Ook bij de mensen blijkt dat zelfs cognitieve domeinen die vanouds met het ene en niet met het andere gender worden geassocieerd, zoals een talent voor wiskunde, niet te onderscheiden zijn naar gender als dit wordt getest bij een populatie van voldoende omvang. Het hele idee dat het ene gender geestelijk superieur is aan het andere, krijgt geen steun vanuit de moderne wetenschap.
De Waal vindt gender een nuttig concept. Elke cultuur heeft verschillende normen, gewoonten en rollen voor de seksen. Gender verwijst naar de aangeleerde deklaag die een biologisch vrouwelijk individu tot een vrouw maakt en een biologisch mannelijk individu tot een man. De term gender geldt ook voor identiteiten die niet corresponderen met de biologische sekse, zoals die van transgender mannen en vrouwen. Er zijn nog andere uitzonderingen, zoals wanneer de anatomische of chromosale sekse van iemand moeilijk te classificeren is of wanneer mensen zich niet identificeren als een van beide genders. Maar bij de meerderheid van de mensen komen sekse en gender overeen. Dat wil zeggen dat een bespreking van genderverschillen ook over sekseverschillen gaat en omgekeerd. De wetenschap heeft sekseverschillen lange tijd genegeerd maar dit is aan het veranderen. Een van de redenen is de schadelijke invloed van deze veronachtzaming voor de gezondheidszorg. Dit geldt in het bijzonder voor vrouwen, die gewoonlijk net zo gediagnosticeerd werden als mannen, terwijl de lichamen van mannen en vrouwen verre van hetzelfde zijn.
Gelijkheid vereist geen gelijkenis! De Waal gelooft dat een grotere mate van gelijkheid te bereiken is door onze biologische natuur te leren kennen dan die onder het tapijt te vegen. We zijn dieren en behoren tot de orde van de primaten. We hebben minsten 96% van ons DNA gemeen met chimpansees en bonobo’s
Speelgoed is zo’n onderwerp wat in het feminisme nogal eens wordt opgevoerd als oorzaak van ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Nu blijkt echter dat mannelijke apen een voorkeur aan de dag leggen voor speelgoed met wielen. Vrouwelijke apen vinden alle speelgoed leuk, ook de auto’s.
In Zweden, een land waar gendergelijkheid wordt gepropageerd, blijkt dat jongens meer materiaal gebruiken om te knutselen en meisjes meer huishoudelijke thema’s. Ook spelen jonge jongens actiever en ruwer dan meisjes. Stoeispel, niet agressief spel. Ook vaders spelen vaak wat wilder met kinderen. Daardoor kijken kinderen vaak anders naar hun vader dan naar hun moeder. Ze gaan naar de vader om te spelen en naar de moeder als ze overstuur zijn. Dit herken ik ook bij mijn kleinkinderen. Ik ben toch vaker de troosteres terwijl mijn man degene is met wie ze boksen.
Seks:
Bij bonobo’s heeft seks niets te maken met voortplanting. Seks is sociaal. Tussen bonobo’s van het mannelijke en vrouwelijk geslacht, maar ook tussen bonobo’s van dezelfde sekse.
Vrouwelijke dieren blijken vaak meerdere partners te hebben en zijn actief in het benaderen van mannelijke partners. Vrouwelijke passiviteit wordt hier gelogenstraft.
In de meeste onderzoeken naar seksualiteit vertonen mannen de sterkste drang, maar de Waal vraagt zich af of deze opvatting niet aan herziening toe is. De maatschappij vertoont namelijk sterk morele normen die van invloed zijn op gedrag: Vrouwen die meerdere losse seksuele contacten hebben krijgen een etiket van slet, del, snol of hoer. Mannen die meerdere seksuele contacten hebben worden met een knipoog womanizer of rokkenjager genoemd. Volgens de Waal moeten we de mythe verlaten dat mannen een sterkere seksdrift hebben en promiscuer zijn dan vrouwen.
Bij alle primaten geldt dat mannen vooral concurreren met mannen en vrouwen met vrouwen. Dit geldt ook voor mensen. Onze stijl van conflictbeheersing lijkt op die van mensapen. Bij zowel mensen als chimpansees zijn de mannen de meest vechtlustige sekse, maar zij lijken ook het snelst de plooien weer glad te strijken. En bij beide soorten zijn de vrouwen conflictvermijdend.
Mannen hebben een selectieve aandacht voor andere mannen. Dit geldt overigens ook voor vrouwen, maar dan anders. Vrouwen zoeken meer intimiteit en uitwisseling van informatie met vriendinnen dan mannen met hun vrienden. Die zijn meer actiegericht en minder geneigd persoonlijke details prijs te geven. Mannen doen graag dingen samen. Vrouwen ondermijnen elkaar geregeld.
Phyllis Chesler beschreef in 2001 het geroddel, de afgunst, de laster en het buitensluiten waaraan vrouwen elkaar onderwerpen. Mannen schakelen soepel heen en weer tussen rivaliteit en vriendschap met een emotionele band die sterker is dan de dood. Een paradox die overeenkomt met mannelijke chimpansees. Het beeld van de lieve, vredelievende menselijke vrouw brokkelt af. Onderzoek naar pesten op scholen leverde bijvoorbeeld op dat jongens vechten op het schoolplein. Meisjes bleken onzichtbaar conflicten te hebben, indirecte agressie en manipulatie, zoals het verspreiden van valse geruchten of weigeren om met een ander te praten. Deze tactieken zijn verhevigd door de digitale media.
Sociale uitsluiting is een echte meisjestactiek. Vrouwen zijn conflictvermijdend. Ze kunnen diep worden geraakt door vijandigheden en kunnen er moeilijk afstand van nemen. Ze piekeren meer en langer over moeizame relaties dan mannen.
Zorgzaamheid. Het zorgen voor kleintjes kenmerkt alle zoogdieren. Het bevordert een eeuwenoude emotionele band die wordt gereguleerd door hormonen en een hersenchemie die bij alle soorten gelijk is.
Reacties op babies: vanaf de peutertijd hebben meisjes meer belangstelling voor baby’s dan jongens, ook als moeders hier geen speciale aanwijzingen toe geven.
Bij mensapen vertonen meisjes belangstelling voor poppen en maken ze van levenloze voorwerpen een pop. Houtblokken worden door jongens als een speeltje beschouwd, jonge vrouwelijke mensapen leggen het blok op hun rug, houden het vast als ze gaan slapen of bouwen er een nest voor. Die kindertijd is een voorbereiding. Vrouwelijke primaten bereiden zich voor op de zorg voor hun baby’s. Jonge mannelijke primaten hebben hun onstuimige stoeispel om zich voor te bereiden op een leven van competitie en status. De belangstelling van meisjes voor kleine kinderen en poppen is dus niet stereotiep, dat wil zeggen dat de kenmerken die mannelijke en vrouwelijke primaten vertonen niet zómaar zijn toegeschreven aan de hele groep. De biologische natuur speelt een rol.
Apen vertonen soms homoseksueel gedrag en veel bonobo’s vertonen ook biseksueel gedrag.
De Waal is van mening dat de levende wereld een continuüm is en niet in 2 of 3 categorieën te verdelen. Hij heeft kritiek op Simone de Beauvoir en Betty Friedan die geestelijke activiteiten belangrijker vinden dan lichamelijke. Hoe radicaler de opvatting van gender als een sociale constructie wordt gepropageerd, hoe minder ruimte er overblijft voor het lichaam en biologische aspecten. Stap af van dit dualisme (lichaam en geest). Alles wat we doen is een samenspel tussen genen en omgeving.
Gender, het gevoel man of vrouw te zijn en alles daar tussenin, wordt waarschijnlijk al in de baarmoeder bepaald. Het heeft te maken met de binding van eiwit met testosteron. Aan homoseksualiteit en ook aan genderidentiteit zit een biologische kant. Nature en nurture interacteren zowel vóór de geboorte als daarna. Dick Schwaab bevestigde dit volmondig.
Ik vind het mooi te zien dat we in zo’n diverse samenleving leven en ben gaan zien hoe belangrijk biologische factoren daarbij zijn. De aandacht voor gender baart mij soms zorgen.
De column van Louise Fresco in NRC van september 2022 was mij uit het hart gegrepen.
Zij constateert dat een groeiend aantal adolescenten van geslacht wil veranderen en zich meldt voor hormoontherapie en chirurgie. Transgender personen zijn van alle tijden vermoedt zij, maar zware medische ingrepen bij jongeren zijn dat niet. Zijn sommige jongeren beïnvloed door de recente aandacht voor genderdysforie? (Een gevoel van onbehagen over je biologisch geslacht)
Ook de term non-binair, een paraplubegrip voor mensen die zich niet als man of vrouw identificeren, zien we steeds meer. Het begrip gender staat ter discussie. Er is meer gendergelijkheid in westerse landen. Biseksualiteit, niet op een man of vrouw vallen maar op een mens is een vorm van non-binariteit en past in de ontwikkeling dat steeds meer mensen zichzelf niet meer zien als behorend bij één van de twee genders. Gender lijkt minder belangrijk voor de identiteit.
Jolanda Withuis zegt in haar boek ‘Vrouw en vrijheid’ van 2023: vrouwen kunnen pas vrij zijn als zij de moed hebben ‘onvrouwelijk’ te zijn. De behoefte een jongen te zijn onder jonge meisjes zou wel eens geringer kunnen zijn als zij niet meenden te moeten voldoen aan de vereisten van wat een geslaagd meisje of een ‘echte’ vrouw is. Die druk is nog altijd groot. Zie het bombardement aan make-up en modetips dat via influencers en sociale media over hen wordt uitgestort, zie het gekunstelde gedrag van vrouwen in het openbare leven en de grofheid waarmee ze worden afgemaakt als ze afwijken. Meisjes die niet in de vrouwelijkheidsmal passen zijn er altijd geweest.
Ik vind deze uitspraken zó verfrissend. Mijn oudste kleindochter draagt bij voorkeur jongenskleren. Ze vindt zichzelf wel een meisje, maar anders dan die meisjes met rokjes en topjes, maar ze lijdt daar niet onder. Ik ben gewoon anders wat dat betreft en ze vindt jongens vaak ook leuker
Het verdiept wel de discussie over de verhouding tussen biologische en sociale bepaaldheid, zoals Frans de Waal en Schwaab dat ook doen. We weten steeds meer hoe geslachtskenmerken in het embryo bepaald worden en welke genetische factoren daarbij een rol spelen. Fresco pleit vóór het besef dat we de oude seksetweedeling te deterministisch interpreteren. Er zijn immers kwetsbare, stille of in mode geïnteresseerde jongetjes en dominante meisjes, tomboys, lawaaischoppers en boekenwurmen. Kortom in beide groepen, jongens en meisjes, zijn zoveel verschillen in karakter, bouw, belangstelling en gedrag dat we die ruimte moeten koesteren.