Beste
lezer,
afgelopen
periode volgde ik op de Schrijversacademie de specialisatie
'Biografisch Schrijven'. Ik schreef een kleine biografie, waarover
later meer informatie volgt.
Hieronder
weer een stukje 'Vrij werk'.
Een
hersenschim
Een
zonnige zondag in november 2017.
Ik doe
mijn ogen open. Dit is niet gewoon wakker worden. Ik kijk voorzichtig
op. Alles is vreemd, wazig, ver. Ik lig op een weg. Hoe kom ik hier
terecht? In de verte hoor ik de stem van Frans.' Bij me blijven
meisje, niet weggaan, hoor je me?' Hij klinkt panisch. 'Je ogen waren
helemaal leeg. Je zag me niet. Je rochelde. Ik dacht echt dat je dood
zou gaan' vertelt hij later.
Hij
raakt me zachtjes aan. Geleidelijk aan kom ik terug.
We
maakten een fietstochtje. Het was zo'n mooie herfstdag. Er hing nog
veel blad aan de bomen en we fietsten door een gouden decor. We
dronken koffie in Meerseldreef en op weg naar ons favoriete
Markfietspad opent een geparkeerde
automobilist zijn portier terwijl wij hem passeren. Hij vloert ons
allebei. Frans staat meteen weer op, ik word minuten later langzaam
wakker op het wegdek.
Er
komt een ambulance uit Hoogstraten. Ze binden me vast op een plank.
Een brace om mijn nek, armen en benen strak in de riemen. Ik laat het
gelaten over me heen komen. Ik ben misselijk. Als ik dreig over te
geven kiepen ze de hele plank met mij erop op zijn kant en houden me
een bakje voor waar ik in kan spugen. Ze brengen ons naar het St.
Jozefziekenhuis in Malle. Frans probeert de verpleegkundigen te
bewegen ons naar het Amphia in Breda te brengen, maar dat is tegen de
regels. We zijn in België.
Bij de
Dienst Spoedgevallen gaan ze voortvarend te werk. Er
worden scans van mijn hoofd gemaakt, een foto van mijn borst en een
EEG. Er blijken bloedingen tussen mijn schedel en de hersenen te
zitten. Een verpleegster praat zachtjes tegen me. 'Je been is
behoorlijk geschaafd. Daar doe ik een pleister op. Je hebt een
gevoelig huidje denk ik'. Ik bevestig dit, maar haar woorden dringen
niet echt tot me door. Ik laat met me doen. Ze brengen me naar de
Intensieve Zorg. Frans is steeds in mijn buurt.
Op
de Intensieve Zorg lig ik alleen op een kamer. Mijn bed tussen twee
grote apparaten. Twee monitoren houden mijn bloeddruk in de gaten,
controleren mijn ademhaling en hartslag door middel van draden en
slangetjes die verbonden zijn met mijn lichaam. Het apparaat aan de
andere kant geeft me, via een infuus, een wateroplossing met zout en
paracetamol tegen de hoofdpijn. Ik krijg lange witte kousen aan om
trombose te voorkomen. Als ik moet plassen moet ik een verpleegster
roepen. Zij helpt me op de po. Ik ben steeds half in slaap geloof
ik. Ik herinner het me allemaal niet. Frans belt een taxi naar huis.
Bezorgd neemt hij afscheid van me. Ik vind het allemaal best.
De
andere dag brengt Frans mijn I-pad en I-phone mee. Na een nacht
volkomen van de wereld kom ik weer een beetje in contact met
'buiten'. Mensen bellen me en ik krijg bemoedigende apps.
Buiten
regent het en in het ziekenhuis hangt een landerige sfeer. Ik doe
mijn ogen maar weer toe.
Na
nog een nacht verhuis ik naar de afdeling neurologie. Onder
begeleiding mag ik zelfs uit bed. Zelf naar de WC. Mét de infuuspaal
als steun. Ik verlang naar huis, maar de neuroloog wil mijn gegevens
nog eens goed bestuderen.
Op
donderdag mag ik naar huis. Mijn hoofdpijn is weg.
In
de spiegel zie ik een bont en blauw gezicht. Ik moet rustig aan doen
is de boodschap. Ik ben moe, wil vroeg naar bed. Ik kan niet goed
inhoud geven aan mijn dagen. Ze vallen me zwaar en ik voel me down.
Weken
later, begin januari ga ik naar een neuroloog in ons eigen
ziekenhuis. Een controlescan wijst uit dat er geen schim meer over is
van de bloedingen. Ik kan het normale leven weer in.
Misschien
is het zondag weer zonnig.
