Voor Probus hield ik op 15 september 2021een lezing. Hieronder de tekst:
Onderwerp van de lezing was het boek : De meeste mensen deugen van Rutger Bregman. Als tegenhanger bestudeerde ik een essay van Bas Heijne: Mens/onmens.
Grappig vind ik dat Bas Heijne over het boek van Bregman zegt: Dit boek daagt je uit, prikkelt tot tegenspraak, en zet je – het belangrijkste – zelf in beweging.
Bregman zegt op de omslag van het essay over Bas Heijne: 'Een van de scherpste denkers van onze tijd.' Incrowd of gewoon twee intellectuelen die elkaar weten te waarderen??
Ik vraag me de laatste tijd vaak af: in wat voor tijd leven we eigenlijk? Er gebeuren zulke rare, voor mij onbegrijpelijke, dingen. Dat ze vanuit Amerika de macht hebben in Breda een fototentoonstelling te blokkeren, zoals bij Breda Photo vorige jaar.
Dat mensen massaal betwijfelen of Covid wel bestaat. Of er wel echt een klimaatcrisis is. Dat een beperkt aantal boeren in staat is het provinciebestuur in Brabant onder druk te zetten. Dat onze regering nauwelijks bijdraagt aan de gigantische problemen op Lesbos, de late reactie op de crisis in Afghanistan.
Ik twijfel soms aan het democratisch gehalte van onze samenleving. Aan het humane karakter van onze medemens.
Enigszins argwanend ging ik daarom aan de slag met het boek: de meeste mensen deugen.
Bregman (1988) is een Nederlands geschiedkundige en vast schrijver van De Correspondent. De Correspondent is een journalistiek online platform. Daar schrijven correspondenten over de grote thema's van deze tijd. Van privacy tot de toekomst van het onderwijs en van klimaatverandering.
Bregman heeft gedegen research gedaan. De lijst met geraadpleegde bronnen beslaat meer dan 40 pagina's.
Bregman brak wereldwijd door met zijn bestseller: Gratis geld voor iedereen. In maar liefst 42 talen vertaald.
In september 2020 zag ik, als voorbereiding op deze lezing, de livestream/video van het theatercollege van Rutger Bregman. Dat vind ik nu het aantrekkelijke van Probus. Ik moet me van tijd tot tijd een doel stellen, daarop studeren en dat vind ik leuk..
Bregman kreeg in november 2020 ook nog eens de NS-publieksprijs.
Een centrale vraag in het boek De meeste mensen deugen is: is de mens van nature goed of slecht. Met die vraag in het hoofd neemt de auteur ons mee op een bijzonder boeiende zoektocht. Via standpunten in de biologie, psychologie, sociologie, economie laat hij zien dat de mens vaak als slecht wordt afgeschilderd. Onder andere door de media, maar ook door de wetenschap. Hij weerlegt dit met bewijsmateriaal uit onderzoek.
De ideeën van Thomas Hobbes en Jean-Jacques Rousseau lopen door het boek als een soort rode draad. Hobbes is een pessimist. Hij gelooft dat de mens van nature slecht is en dat alleen de beschaving ons van dierlijke instincten kan redden. We streven naar macht met als resultaat een oorlog van allen tegen allen.
Rousseau dacht dat we diep van binnen goed zijn en dat de beschaving ons juist heeft verpest. Hij beschreef dat de mens, toen hij nog één was met de natuur, goed was. Vanaf het moment dat we nomade af werden en we op één plek neerstreken, land gingen verbouwen, bezit opeisten, ging het bergafwaarts.
Had Rousseau gelijk? Deugt de mens van nature en ging alles pas mis toen we neerstreken op één plaats?
Bregman is realistisch genoeg om te constateren dat de mens nooit een engel is geweest. Jaloezie, woede en haat zijn oeroude emoties die altijd slachtoffers hebben gevraagd. Ook in de prehistorie kwamen er vermoedelijk machtshebbers op, maar verwaande types werden neergehaald door humor, spot, geroddel en soms ook met een pijl in het achterste. Maar er kwam een periode dat dit niet meer werkte. Dat machtshebbers op hun troon bleven.
Historisch onderzoek laat zien dat de eerste nederzettingen en de uitvinding van het privé-bezit een nieuw tijdperk van de mens inluidde. 1% ging 99% onderdrukken. Daarvóór hadden jagers een ontspannen leven. Boeren moesten keihard zwoegen. Vooral vrouwen betaalden een hoge prijs. Zij hadden voorheen een gelijkwaardige positie. Nu werden huwbare dochters gereduceerd tot verhandelbare goederen. Er kwamen, doordat mensen dichter bij elkaar woonden, meer besmettelijke ziekten zoals mazelen, pokken, tbc, syfilus, malaria, cholera, de pest. Al die plagen zijn pas ontstaan nadat we onze nomadische levensstijl opgaven. Mensen gingen ook niet vrijwillig dicht bij elkaar wonen. De eerste staten, zoals Uruh in Mesopotanië, waren slavenstaten. Overheden waren steeds op zoek naar nieuwe onderdanen, omdat slaven stierven aan besmettelijke ziekten. Tot aan de Franse revolutie (1789) waren vrijwel alle staten overal ter wereld, gebaseerd op gedwongen arbeid. Pas de afgelopen twee eeuwen, relatief kort, hebben we vooral vooruitgang geboekt:
- We hebben afgerekend met de meeste infectieziekten;
- We zijn rijker dan ooit. Het aantal mensen in extreme armoede is gedaald tot ongeveer 10%;
- De slavernij is zo goed als afgeschaft;
- We leven in de vreedzaamste tijd ooit. Hoewel?
Maar als het waar is dat de mens van nature een vriendelijk wezen is, hoe verklaar je dan razzia's, pogroms, genocide, vernietigingskampen. Hoe kan de mens zo wreed zijn? Er zijn veel psychologische onderzoeken gedaan die laten zien dat mensen tot verschrikkelijke dingen in staat zijn. Mensen die in een slechte situatie belanden, kunnen tot monsters worden.
Bregman noemt enkele voorbeelden van wetenschappelijke onderzoeken die achteraf gezien bleken door de onderzoekers beïnvloed te zijn. Een heel bekend onderzoek is het onderzoek van Stanley Milgram en de schokmachine. Via een advertentie werden 500 gewone mannen, bouwvakkers, kappers, zakenlui en ambtenaren deelnemer aan een onderzoek naar het menselijk geheugen. Ze moesten een lootje trekken om te bepalen wie er leerling en wie leraar zou zijn in het onderzoek. De leraar werd in een stoel voor een groot apparaat gezet: de schokmachine. Hij moest het geheugen van de leerling testen, die in een andere ruimte was vastgebonden. Bij ieder fout antwoord moest de leraar, met een druk op de knop, een stroomschok toedienen. In werkelijkheid was de leerling een medewerker van Milgram en waren de stroomschokken nep. De leraren wisten dit niet en dachten dat het een onderzoek was naar het effect van straffen op het menselijk geheugen. Het experiment begon met een schokje van 15 volt. Iedere keer dat de leerling een fout maakte, gaf een man in een grijze stofjas de leraar de opdracht het voltage te verhogen. Bij 315 volt bonkte de leerling nog op de muur. Daarna werd het stil. Maar liefst 65% van de deelnemers ging door tot het uiterste: 450 volt! Twee derde van de brave vaders, vrienden en vaklui bleek bereid wildvreemden te elektrocuteren. Waarom? Omdat het hun werd opgedragen.
Wat voor soort mensen vroeg de New York Times zich af, is in staat miljoenen naar de gaskamers te sturen? Milgrams antwoord liet zich raden: wij allemaal. Milgram beschreef de mens als een wezen dat klakkeloos bevelen opvolgt.
Het onderzoek liep tegelijkertijd met de rechtszaak tegen de oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann. Tijdens zijn voorarrest was Eichmann door zes psychologen onderzocht en zij constateerden dat hij normaler leek dan normaal. De filosoof Hannah Arendt constateerde dat Eichmann geen psychopaat was, ook geen monster. Hij was gewoon en Arendt noemde zijn handelen de banaliteit van het kwaad. Milgram en Arendt gingen samen de geschiedenis in. Het leek dat het onderzoek van Milgram het bewijs leverde voor de uitspraak van Ahrendt.
Bestudering van het onderzoek van Milgram leverde echter op, dat Milgram een psycholoog was die manipuleerde en misleidde om de resultaten te krijgen waar hij naar zocht. Een aantal deelnemers, bijna de helft, aan het onderzoek bleken te twijfelen aan de echtheid van de schokken. Uit nauwkeurige analyses van de honderden sessies voor de schokmachine blijkt dat de proefpersonen steeds ongehoorzamer werden, zeker als de man met de grijze stofjas min of meer dwingend voorschreef, dat de proefpersonen moesten doorgaan. De deelnemers gedroegen zich niet als gedachteloze robots, maar werden verscheurd door twijfel. Men wilde de mensheid helpen door het onderzoek te doen slagen. Bregman concludeert: als je hard genoeg aan mensen trekt, als je hen bewerkt en boetseert, verleidt en manipuleert, dan zijn velen van ons tot het kwaad in staat. De weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen. Het kwaad moet zich dan wel vermommen als het goede.
Terug naar Eichmann: 'Ik heb nergens spijt van. Ik zal lachend in mijn graf springen in de wetenschap dat ik zes miljoen vijanden van het Rijk de dood in heb gejaagd.' Hij handelde derhalve uit overtuiging. De daders van de Holocaust geloofden dat ze aan de goede kant van de geschiedenis stonden.
Arendt heeft nergens geschreven dat Eichmann slechts bevelen opvolgde. Zij geloofde niet dat er een nazi in ieder van ons zit. Ze stelde dat onze behoefte aan liefde en vriendschap menselijker is dan ons verlangen naar haat en geweld. En als mensen voor het kwaad kiezen dan voelen ze alsnog de behoefte zich te verschuilen achter leugens en clichés die suggereren dat het kwade toch goed is. Eichmann is hier hét voorbeeld van. Hij had zichzelf ervan overtuigd dat hij iets groots had neergezet, iets historisch, iets waarvoor hij nog eeuwen zou worden bewonderd. Dat maakte hem niet tot monster of robot, maar tot meeloper. Dat is wat analisten van Milgram's onderzoek ook concludeerden: de experimenten gingen niet over gehoorzaamheid maar over conformisme. Bregman betreurt het dat we de simpele conclusies van Milgram (de mens laat zich gedachteloos meeslepen door het kwaad)beter onthouden dan de gelaagde filosofie van Ahrendt (de mens laat zich verleiden door het kwaad dat goed lijkt).
Bregman noemt dit een oud geloof: de zelfvervullende profetie dat we geboren zondaars zijn. Een zondige menselijke natuur biedt een makkelijke verklaring voor het kwaad. Wie beweert dat de mens in essentie goed is moet veel harder nadenken over waarom het kwaad toch bestaat. Vrijwel alle deelnemers aan het experiment van Milgram blijken compassie met de leerlingen te hebben getoond en zich ook te hebben verzet tegen verdergaan.
Gelukkig vraagt Bregman zich ook af hoe we het kwaad in de mens kunnen verklaren. Hoe is het mogelijk dat die vriendelijke tweevoeter de enige soort is die gevangenissen en gaskamers bouwt.
Bregman heeft laten zien dat de mens zich kan laten verleiden door het kwaad dat vermomd is als het goede. Maar hoe komt het dat het kwaad in de loop van de geschiedenis zoveel erger is geworden? De oorlogen die mensen elkaar verklaren.
Morris Janowitz, een Amerikaan en zoon van twee Joods-Poolse vluchtelingen, deed tijdens de tweede wereldoorlog onderzoek naar de psyche van Duitse soldaten. In 1944 waren de Duitsers zwaar in de minderheid. In het oosten rukten de Russen op en in het westen de geallieerden. Morris interviewde honderden Duitse krijgsgevangenen en ontdekte dat het niet de aantrekkingskracht van het nazisme was waardoor de Duitse soldaten het zo lang volhielden maar het was Kameradschaft, vriendschap. De honderden bakkers, slagers, leraren en loodgieters, al die Duitse mannen die zich met hand en tand verzetten tegen de opmars van de geallieerden, namen het op voor elkaar. De Duitse legertop wist dit en de generaals deden er alles aan om de kameraden bij elkaar te houden. Werden zij dan ook gedreven door het goede in de mens? Dat zij, ondanks de grootste slachting in de geschiedenis, werden gedreven door het beste in de menselijke natuur: vriendschap, loyaliteit, trouw. Dit blijkt ook te gelden voor terroristen. Zij moorden niet voor een ideologie, maar voor elkaar. Eindelijk onderdeel zijn van iets groters. Eindelijk had hun leven betekenis. En nee, zegt Bregman, dit is geen excuus, maar een verklaring.
In de moderne oorlogvoering doodt je niet meer van dichtbij. Naast wapens voor de lange afstand, zoeken legers ook naar manieren om de psychologische afstand tot de vijand te vergroten. Als je andere mensen ontmenselijkt, door ze bijvoorbeeld af te schilderen als kakkerlakken, wordt het eenvoudiger om hen onmenselijk te behandelen.
Omdat veel van de problemen in de westerse wereld te verklaren zijn door De Verlichting ga ik daar hier nader op in.
De Verlichting
Deze beweging werd eind zeventiende eeuw geboren. De Verlichters geloofden heilig in de rede, de kracht van het verstand. In deze periode ontstond ook de moderne rechtsstaat. Vrouwe Justitia kent geen liefde, geen empathie, ze heeft een blinddoek voor en laat zich louter leiden door de rede. Ditzelfde geldt voor de moderne bureaucratie, die ons onderwerpt aan gelijke wetten, procedures en regels. De Verlichting heeft ons veel goeds gebracht. Het kapitalisme, de democratie, de rechtsstaat en de bureaucratie. De wereld is rijker, veiliger, gezonder dan ooit. Schaduwzijde: het kapitalisme kan op hol slaan. De menselijke maat gaat verloren als regels en protocollen de samenleving overheersen.
Sommige dingen kunnen waar worden als we er maar in geloven. Pessimisme kan een zelfvervullende profetie zijn. Moderne economen gingen ervan uit dat we ten diepste egoïsten zijn en ze gingen beleid adviseren dat dit egoïsme naar boven haalt. Toen politici ervan overtuigd raakten dat politiek een cynisch spel is, werd het ook een cynisch spel.
Bas Heijne haalt de Britse filosoof David Hume aan (1711-1776). Hij beweert dat het verstand, de rede, altijd getriggerd wordt door emotie, door iets wat heftig, instinctief beleefd wordt. Een gevoel van noodzaak bijvoorbeeld, van afschuw, schuld, sympathie, onrecht. Het zijn emoties die het menselijk verstand in beweging zetten, tot daadkracht aansporen.
Bregman werpt de vraag op of het anders kan. Of we de rede kunnen inzetten om nieuwe instituties te ontwerpen die uitgaan van een ander mensbeeld. Wat als scholen, bedrijven, ministeries en overheden uitgaan van het goede in de mens?
Weer uit allerlei onderzoek blijkt dat verwachtingen machtige wapens zijn. Als managers meer verwachten, presteren werknemers beter. Als verpleegkundigen meer verwachten, worden patiënten sneller beter. Het omgekeerde blijkt ook waar. Mensen van wie minder wordt verwacht, presteren minder goed, waardoor er nog minder van hen wordt verwacht en ze nog slechter gaan presteren.
Mensen zijn door en door spiegelende wezens. We stemmen ons voortdurend op elkaar af. Komt iemand met zijn vinger tussen de deur, dan krimp je zelf ook ineen. Begint iemand te gapen dan wordt het moeilijk om zelf een geeuw te onderdrukken.
Onze natuurlijke neiging om anderen te spiegelen wordt vaak als iets positiefs genoemd, maar mensen nemen ook slechte ideeën van elkaar over.
Bob Rosenthal, een Amerikaans psycholoog, denkt na over hoe we de kracht van de verwachting in ons voordeel kunnen gebruiken. Want niet alleen haat, maar ook vertrouwen is besmettelijk. Vaak begint zulk vertrouwen bij iemand die tegen de stroom in durft te gaan Iemand die aanvankelijk onrealistisch lijkt, of zelfs naïef. Bregman stelt ons voor aan mensen die tegen de stroom in durven gaan: managers die hun werknemers totaal vertrouwen, leraren die kinderen vrij laten spelen, politici die hun burgers behandelen alsof ze creatief en geëngageerd zijn.
Bregman noemt Jos de Blok en zijn Stichting Buurtzorg. Om te begrijpen waarom zijn ideeën zo revolutionair zijn gaat Bregman terug naar het begin van de twintigste eeuw. De wetenschap van de bedrijfskunde kwam op en baseerde zich op een hobbesiaans mensbeeld. We zouden van nature hebzuchtige wezens zijn. Daarom hebben we managers nodig, om ons in de gaten te houden. Managers moeten de juiste prikkels geven. Bankiers krijgen bonussen omdat ze er harder van gaan werken, uitkeringen worden gekort zodat mensen van de bank af komen, kinderen krijgen onvoldoendes opdat ze beter hun best doen. De twee grote ideologieën van de twintigste eeuw, het kapitalisme en het communisme, deelden dit mensbeeld. De kapitalist vertrouwde vooral op de wortel, namelijk geld. De communist moest het van de stok hebben, de straf. Ze waren het eens over één ding: mensen motiveren zichzelf niet. Het kapitalisme is op dit cynische mensbeeld gegrondvest. Frederick Taylor werd beroemd om zijn 'wetenschappelijke bedrijfsvoering'. Prestaties moet je meten om fabrieken zo efficiënt mogelijk te maken. De stopwatch naast de lopende band. Er is wel veel veranderd, maar nog steeds moeten thuiszorgers in zeven minuten steunkousen uittrekken, dokters worden betaald per diagnose-behandelcombinatie. Maar er kwamen ook meer tegengeluiden. Mensen komen vaak in de problemen door targets, bonussen en het dreigen met straf:
- CEO's die alleen focussen op hun kwartaalresultaten kunnen hun bedrijf de afgrond in trekken;
- Academici die worden afgerekend op hun publicatielijst worden verleid te gaan frauderen;
- Scholen die worden beoordeeld op meetbare resultaten van gestandaardiseerde toetsen zullen minder aandacht gaan besteden aan niet meetbare kennis;
Enz. enz.
Terug naar Jos de Blok. Hij was tot begin 2006 bestuurder bij een groter zorginstelling. Hij lanceerde ideeën over zelfsturende teams en minder management, maar kreeg geen voet aan de grond. De Blok besloot zijn bestuursfunctie op te zeggen terwijl de zorg een product werd en de patiënt een klant. Hij begon met Buurtzorg. Jos de Blok wilde verandering, het kon hem wat schelen dat de zorg een product was geworden en de patiënt een klant. Hume geeft aan dat we, voor we ergens over gaan nadenken, het ons eerst wat moet kunnen schelen. De emotie die aan de ratio vooraf gaat. Dat klopt hier zeker.
De organisatie heeft geen managers, geen callcenter en geen planners. Er zijn geen targets en geen bonussen. Er is nauwelijks overhead en er wordt weinig vergaderd. Er is geen flitsend hoofdkantoor. De teams van ongeveer 12 vakmensen doen zoveel mogelijk zelf. Ze plannen hun eigen week, nemen eigen collega's aan en ze leveren maar één product: zorg. Op de interne website wisselen werknemers ervaringen uit. Ieder team heeft een eigen onderwijsbudget en het hoofdkantoor neemt de financiële administratie op zich.
De tevredenheid van medewerkers en cliënten blijkt erg groot. Er wordt kleinschalige zorg geleverd van hoge kwaliteit. Helaas zien de zorgverzekeraars dit belang nog niet zo. Het zorgsysteem zou volgens de Blok op de schop moeten. Er zijn ziekenhuizen met commerciële afdelingen en verkoopteams met aan de andere kant verzekeraars met inkoopteams. Het aantal consultants en bestuurskundigen neem toe, het aantal vakmensen neemt af. Wég met het productdenken zegt de Blok. Het vak moet weer voorop komen te staan.
De lessen van Jos de Blok gelden niet alleen voor de zorg. Ook op scholen, politiebureaus, ministeries en in het bedrijfsleven kan men hiervan leren.
Een mooi voorbeeld noemt Bregman het Franse bedrijf Favi, dat onderdelen levert voor de auto-industrie. De nieuwe CEO Jean-Francois Zobrist wilde de strakke piramidestructuur doorbreken. De prikklok ging de deur uit, het bonussysteem werd afgeschaft, de sloten werden van de opslagruimtes verwijderd. Zobrist deelde het bedrijf op in 'minifabriekjes' van 25 tot 30 werknemers. De teams gingen alles zelf bepalen: hun salaris, werktijden e.d. De productiviteit bleek omhoog te gaan. Terwijl de concurrentie naar lagelonenlanden moest verhuizen, bleef de fabriek in Europa. De filosofie van Zobrist: als je werknemers behandelt als verantwoordelijk en betrouwbaar, dan zijn ze dat ook. Hij schreef er een boek over: het bedrijf dat gelooft dat de mens goed is.
Bedrijven als Buurtzorg en FAVI laten zien dat alles verandert als je niet uitgaat van wantrouwen maar van een positiever mensbeeld. Vakmanschap en competentie worden de belangrijkste waarden in plaats van rendement en productiviteit.
Bregman ging zich afvragen wat er zou gebeuren als we de hele maatschappij grondvesten op vertrouwen? Zo'n rigoureuze omslag zou bij de basis moeten beginnen. Bij kinderen dus. Hij stuitte meteen op pedagogische problemen. De intrinsieke motivatie van kinderen is zwaar in de verdrukking gekomen. Kinderen worden steeds vaker beziggehouden door volwassenen. Huiswerk, sport, muziek, toneel, bijles, examentraining.. Er blijft minder tijd over voor gewoon spelen. Buiten spelen terwijl ze zelf de regels van hun spel verzinnen. Kinderen die zelf spelen, denken zelf na. Ze trainen hun fantasie en motivatie. Kinderen krijgen nu vaak kunstmatiger zoethoudertjes van LEGO Star Wars, Snowspeeder, met gedetailleerde bouwplannen. Voorgekookt speelgoed.
Bregman vreest dat er een generatie opgroeit die de regels van de prestatiemaatschappij steeds dieper krijgt ingeprent. Een generatie die ook minder buiten de lijntjes kleurt, die minder droomt en durft, minder fantaseert en exploreert. Een generatie die het verleert te spelen.
Is er een alternatief? Een Deens landschapsarchitect wilde al in 1943 een speelplaats ontwerpen zonder toestellen. Een plek waar kinderen zelf de dienst uitmaken. Rommelspeelplaatsen, waar kinderen kunnen zagen, slopen, hakken, in bomen kunnen klimmen, kuilen graven, hutten bouwen. Zijn ideeën hebben zeker navolging gekregen maar in de jaren tachtig kregen ze het ook weer moeilijk doordat het ene na het andere veiligheidsvoorschrift werd opgesteld en fabrikanten goud geld konden verdienen aan de verkoop van zogenaamd veilige toestellen. Ik werkte in het begin van deze eeuw op landelijk niveau voor kwaliteit in de kinderopvang. Wij moesten toen al knokken tegen de inspectie die ons alsmaar voorschreef dat we normen moesten stellen voor de veiligheid van speeltoestellen. Er is ook een berg aan wetenschappelijk bewijs dat vrij, risicovol spel goed is voor de fysieke en mentale gezondheid van kinderen. Wij probeerden meer vrijheid op die strenge veiligheidsnormen, maar dat was toen vechten tegen de bierkaai.
Dit gaat over buiten spelen, maar kunnen kinderen ook binnen, in de scholen, meer vrijheid aan? In Roermond is een school, opgericht door Sjef Drummen, Agora genaamd. Bregman bezoekt de school. Een school zonder lokalen, zonder huiswerk, zonder vakken, zonder cijfers, zonder klassen. Er zijn teams van autonome docenten, coaches. Kinderen van vmbo tot gymnasium zitten bij elkaar en ieder kind stippelt zijn eigen plan uit.
Er is ook wel structuur: een dagopening door een van de leerlingen, een stilte-uur, een wekelijks gesprek met de coach. De coaches leren kinderen hun doelen te stellen. Ze stimuleren, provoceren, bemoedigen en begeleiden.
Agora leidt mensen op voor een andersoortige samenleving. De school wil kinderen de ruimte geven om zelfstandige, creatieve en betrokken burgers te worden. Maar als Agora niet scoort volgens de juiste criteria van gestandaardiseerde toetsen, dan krijgt ze van de inspectie onvoldoende en gaat de geldkraan dicht. Bregman stelt de vraag wat het doel van ons onderwijs is. Zijn we niet ter sterk gefocust op het belang van goede cijfers en een goedbetaalde baan? In 2018 analyseerden twee Nederlandse economen een peiling onder 27.000 werknemers in 37 landen. Liefst 25% van de werknemers twijfelt aan het nut van zijn eigen werk. Het bleken vaak succesvolle werkers te zijn, bij banken, advocatenkantoren, reclamebureaus enz.
Het kan dus wel anders. De vraag is alleen of wij kinderen wel die vrijheid durven geven zoals op de Agoraschool en bij het buiten spelen op de rommelspeelplaatsen. Werken zonder vrijheid, zonder spel, zonder intrinsieke motivatie, dat maakt mensen uiteindelijk depressief.
Bregman illustreert dat de mens een coöperatief wezen is. Marktwerking is vaak van bovenaf opgelegd. De afgelopen decennia zijn er bijvoorbeeld miljarden gepompt in een verwoede poging het zorgstelsel te veranderen in een kunstmatige markt. Soms werken markten ook goed, maar we hebben toch behoefte aan een sterke gemeenschappelijke basis, van burgers die de handen ineenslaan. Bregman komt, op grond van zijn analyse van de psychologie, de biologie, de archeologie, sociologie en geschiedwetenschap tot de conclusie dat de mens millennia een verkeerd zelfbeeld heeft gehad. Lange tijd hebben we aangenomen dat de mens een egoïst is, een beest. Dat onze beschaving een dun laagje is. Dit mensbeeld en ook de lezing van de geschiedenis blijkt onrealistisch.
Bregman formuleert aan het eind van zijn boek een aantal leefregels voor onze omgang met anderen.
Eén van die leefregels is: Vermijd het nieuws. Tegenwoordig is het nieuws een van de grootste bronnen van afstand. Wie het journaal kijkt, krijgt het gevoel dichter bij de werkelijkheid te komen, maar krijgt in werkelijkheid een verwrongen beeld voorgeschoteld. Er wordt vaak in generaliserende termen gesproken over groepen mensen: vluchtelingen, racisten, elites, politici. Bovendien zoomt het nieuws in op uitzonderingen, en dan meestal op de rotte appels. Hetzelfde geldt voor sociale media. De digitale platforms verdienen het meest als mensen zo lelijk mogelijk tegen elkaar doen. Dat trekt de aandacht, daarop klikken we het meest en dan zien we de meeste reclames. Op deze manier zijn sociale media verworden tot machines om onze slechte kanten zo ver mogelijk op te blazen.
Bregman adviseert voorkeur te geven aan de bedachtzame zaterdagkrant boven het dagelijks nieuwsbulletin. Denk éven goed na over welke informatie je in je hoofd stopt als over welk voedsel in je lichaam.
Deze negatieve boodschap over het nieuws en de daaraan gekoppelde leefregel sluit aan bij het essay van Bas Heijne:
Hij haalt een interview van najaar 2018 aan met Frans Klein, toen directeur van de Nederlandse Publieke Omroep. In 2020 kreeg hij de prijs voor Omroepman van het jaar. Het interview handelde over de budgetkortingen op zuiver journalistieke programma's zoals Tegenlicht, Brandpunt +, Zembla en Andere Tijden. Hij wil een jonger en breder publiek bereiken. Hij zegt dat journalisten aartsconservatief zijn en vindt dat je bij hen vaak terecht komt in discussies.
Op de vraag waarom het dagelijkse, informatief-journalistieke Een Vandaag op NPO 1 moet plaatsmaken voor een dramaserie, antwoordt de omroepbaas: 'Het stoort me dat bepaalde journalisten met dédain spreken over drama. Het is dé manier om eigentijdse verhalen te vertellen.
Hierin klinkt de tijdgeest door. Traditionele en feitelijke journalistiek is niet meer van deze tijd. Een gedramatiseerde werkelijkheid brengt ons dichter bij de wereld dan feitelijke verslaggeving. Emotionele betrokkenheid en vereenzelviging gaan boven beschouwende inzichtelijkheid.
In 'The Perils of Perception' (2018) pleit Duffy, een Brits onderzoeker, voor meer bewustzijn. We kunnen niet alleen de media, sociale media of politici de schuld geven van ons scheve beeld van de realiteit. Onze emoties bepalen deels onze perceptie en verschaffen ons dus waardevolle aanwijzingen over wat ons zorgen baart. Dat is ook wat Hume bedoelde toen hij stelde dat de rede de slaaf van onze hartstochten is. Duffy pleit dan ook voor meer bewustzijn. Wanneer we weten hoezeer we geneigd zijn onze emoties ons idee van de waarheid te laten beïnvloeden, zijn we beter bestand tegen foute aannames. Maar daarvoor moet je dan wel bereid zijn jouw aannames aan feitelijke kritiek te onderwerpen, ruimte te maken in je hoofd voor tegenspraak en je te onderwerpen aan de kennis van mensen die er echt iets van weten. Het vraagt om betrouwbare journalistiek die ook bereid is zichzelf te bekritiseren en te corrigeren.
Bas Heijne heeft waardering voor de woorden van Merkel: 'Wir schaffen das'. Hij vindt het niet naïef. Je kunt haar oproep verschillend interpreteren. Hij ziet het als een hondsmoeilijke opdracht in naam van de menselijkheid, in het nuchter besef dat die haar land heel wat bloed, zweet en tranen zou kunnen kosten. Je kunt beseffen dat wat je gaat doen, honderdduizenden vreemdelingen opnemen in je land, ze proberen te integreren in je cultuur, ze een toekomst bezorgen, een ontzagwekkende taak waarvan succes allerminst verzekerd is en waar ongetwijfeld een prijs voor moet worden betaald, en het dan toch doen.
Mijn conclusie: De meeste mensen deugen niet zomaar vanzelf. Ook Bregman ziet dat verandering vaak begint bij mensen die tegen de stroom in durven te gaan, zoals Merkel. Hij pleit voor een nieuw realisme, een anders kijken naar mensen. Hij toont aan dat als we de ander benaderen als iemand die kwaad wil, de kans groot is dat hij zich slecht gaat gedragen. Dit gaat ook op op organisatieniveau en misschien ook wel op groter maatschappelijk niveau: als we de ander met vertrouwen tegemoet treden, zal die ander dat ook niet gauw beschamen.