Annelies trapt op haar omafiets
opgelucht naar huis. Wat goed van die decaan. Eindelijk weet ze wat
ze wil. Ze juicht van binnen. Studeren wilde ze, dat was zeker, maar
wát? Wat ze niet al geprobeerd heeft. Ze zag het helemaal niet meer
zitten. Ze was het gewoon zat.
En nu begon de decaan over haar
tekentalent, maar geen kunstacademie voor haar, te esoterisch. 'Je
bèta kant is ook sterk' zei hij toen 'is bouwkunde niets voor jou?
Dan gebruik je allebei je talenten.'
Dát deed iets met haar. Het bloed
steeg naar haar wangen. Architectuur. Het leek haar geweldig. Dat ze
daar niet eerder aan had gedacht. Ze zou naar Delft gaan en kamers
zoeken. Dan kan ze eindelijk ook weg van haar moeder.
Haar moeder! Haar blijdschap zakt weg.
Hoe zal ze nu weer reageren op haar studieplannen? Haar reacties zijn
altijd zo onvoorspelbaar. De ene keer is ze poeslief en krijgt ze
complimenten voor haar nieuwe jurk, haar schoolresultaten. Het
volgende moment spot ze met haar ijver op school, haar plannen om
naar de universiteit te gaan en lacht ze gemeen om haar iets te dikke
kont. Zij is mooi ja en dat weet ze maar al te goed. Ineens is
Annelies bang. Ze begint langzamer te fietsen. Haar benen voelen
zwaar. Als de pet van haar moeder verkeerd staat hoeft ze haar
plannen voor Delft zelfs niet te vertellen. Ze voelt tranen komen en
vloekt.
Herzien perspectief
Ik ben blij. Ik fiets naar huis alsof
ik wind mee heb. Dat gesprek met de decaan heeft me wél goed gedaan
zeg. In gedachten zie ik weer mijn bezoeken aan al die open dagen
voor me. Niets kon me echt bekoren. Ik kan goed tekenen, maar de
sfeer op de kunstacademie vond ik niks. Economie heb ik nog gedacht,
maar dat was het ook niet. En bij geneeskunde vroegen ze meteen of ik
biologie in mijn pakket heb. Niet dus.Viel af. En nu komt de decaan
aanzetten met het idee van Bouwkunde. Omdat ik tekentalent heb én
sterk ben in de bètavakken. Dát is leuk. Gek dat ik zelf niet op
dat idee ben gekomen. Ik ga dadelijk thuis meteen op internet kijken
en dan misschien maar snel een afspraak maken op de TU in Delft. Ik
kan dan ook op kamers, wég bij mama.
Maar ik zal het haar eerst nog moeten
vertellen. Als dat maar goed gaat. Ze lacht me gewoon uit als ik zeg
dat ik naar de universiteit wil. Nooit ging ze eens mee naar een open
dag. En dat ik op kamers ga ziet ze al helemaal niet zitten. Oh, wat
zie ik er tegen op. Ik merk dat ik steeds langzamer ga fietsen. Ik
kom niet meer vooruit. Mijn benen voelen zwaar. Nou begin ik nog
bijna te janken ook. Verdomme.