Berg op
Ineke zwoegt met haar fonkelnieuwe
reisfiets de berg op naar een pas van 2000m. Haar kersverse vriend
Luc fietst een stuk voor haar uit. Zijn brede, bezwete schouders zijn
ver weg. Hij heeft veel fietservaring. Voor haar is fietsen niet echt
dé favoriete sport, maar ze wil haar relatie met Luc graag een kans
geven. Hij heeft haar voorgespiegeld dat je op de fiets veel meer
ziet, ruikt, ervaart dan wanneer je in een auto reist. Zij ziet
alleen maar asfalt. De klim is zo zwaar dat ze niet om zich heen kán
kijken. Stroompjes zweet komen onder haar helm vandaan, maar ze durft
ze niet af te vegen, bang een hand van het stuur te halen. Door een
kuil in de weg valt ze en de tranen stromen over haar wangen. Terwijl
ze, Luc vervloekend, haar fiets rechtop zet probeert ze weer van
start te gaan. Dat valt niet mee op de steile helling. Maar met de
zwaar bepakte fiets aan de hand omhoog is ook geen optie.
Luc komt teruggereden. 'Waar bleef je
nou?' glimlacht hij. Dat is de druppel. Ze stampvoet en barst opnieuw
in huilen uit. Als Luc een arm om haar heenslaat en begripvol zegt
dat deze fase hoort bij een eerste beklimming, herpakt ze zich en,
aangeduwd door Luc, worstelt ze zich de laatste 200 m op.
Eenmaal op de pas drukt Luc haar tegen
zijn natte lijf aan en krijgt ze de beloning die hij haar in het
vooruitzicht heeft gesteld. Prachtig, die omliggende bergen, een
orgie van kleur: aubergine, grijsgroene, okergele en gouden
rotspartijen, met in de verte besneeuwde toppen. Tijdens de lange
afdaling geniet Ineke van de bloeiende bergweiden. Ze moet moeite
doen haar ogen op de weg te houden zó wordt ze afgeleid door de caleidoscopische kleurenpracht. Ze begint iets van de passie voor
fietsreizen te begrijpen.