Opdracht: Schrijf de openingsscène van
een verhaal waarin jouw personage aanwezig is. Uit de openingsscène
moet iets blijken over de emotionele toestand van je personage.
Maximaal 350 woorden. (herziene versie na feedback docente)
Annelies trapt op haar omafiets
opgelucht naar huis. Wat goed van die decaan. Eindelijk weet ze wat
ze wil. Ze juicht van binnen. Studeren wilde ze, dat was zeker, maar
wàt? Wat ze niet al geprobeerd heeft. Ze zag het helemaal niet meer
zitten. Ze was het gewoon zat.
En nu begon de decaan over haar
tekentalent, maar geen kunstacademie voor haar, te esoterisch. 'Je
bèta kant is ook sterk' zei hij toen 'is bouwkunde niets voor jou?
Dan gebruik je allebei je talenten.'
Dát had iets met haar gedaan. Het bloed was naar haar wangen gestegen. Architectuur. Het leek haar geweldig. Dat ze
daar niet eerder aan had gedacht. Ze zou naar Delft gaan en kamers
zoeken. Dan kan ze eindelijk ook weg van haar moeder.
Haar moeder! Haar blijdschap zakt weg.
Hoe zal ze nu weer reageren op haar studieplannen? Haar reacties zijn
altijd zo onvoorspelbaar. De ene keer is ze poeslief en krijgt ze
complimenten voor haar nieuwe jurk, haar schoolresultaten. Het
volgende moment spot ze met haar ijver op school, haar plannen om
naar de universiteit te gaan en lacht ze gemeen om haar iets te dikke
kont. Zij is mooi ja en dat weet ze maar al te goed. Ineens is
Annelies bang. Ze begint langzamer te fietsen. Haar benen voelen
zwaar. Als de pet van haar moeder verkeerd staat hoeft ze haar
plannen voor Delft zelfs niet te vertellen. Ze voelt tranen komen en
vloekt.