Opdracht: Schrijf een fragment dat de
opening zou kunnen vormen van een verhaal. Toon je personage als
iemand van vlees en bloed. Denk na over de verdeling handeling,
beschrijving, gedachtestroom. Je personage is als enige in beeld. Er
is geen interactie met anderen. Maximaal 300 woorden.
De boekenkast
Annemiek staat zuchtend op een hoge
keukentrap in haar werkkamer. Eén voor één haalt ze haar boeken
uit haar kast. Trap op en trap af. Ze wist het zweet van haar
voorhoofd. Waar is ze aan begonnen? Er moet nieuwe vloerbedekking
komen. Dat heeft ze heel lang uitgesteld, maar die laatste
chocoladevlekken gaven de doorslag. Ieder boek kijkt ze even in. Soms
glimlacht ze om een tekst die ze er in heeft geschreven, om een
opdracht van een vriend, haalt haar wenkbrauwen op als ze schrikt van
een jaartal. Heb ik dit al zo lang? denkt ze. Waar gaat het ook weer
over?
Maar zo vlot het werk niet erg. Als ze
één doos vol heeft wil ze hem naar de slaapkamer brengen. Ze krijgt
de doos niet getild en krijgt tranen in haar ogen. Ze moet het ook
allemaal in haar eentje doen. Dan maar weer de helft eruit.
Deze kamer is zó haar domein. Hier kan
ze op haar comfortabele Mart Visser bank heerlijk zitten luisteren
naar muziek, de krant of een boek lezen met een glaasje wijn erbij,
hapje ernaast. Of aan haar grote kersenhouten tafel haar mail
beantwoorden, haar administratie doen.
Als ze halverwege is vindt ze achter
een rij boeken een foto van haarzelf in bikini. Zeker 20 jaar
geleden. Jeetje, wat was ze toen slank. Hoe heeft ze zichzelf zó
kunnen laten gaan. Bozig kijkt ze naar haar dikke buik.
Het was het laatste weekend met Eric.
Ze hadden een duinwandeling gemaakt, aan het strand gelegen, vis
gegeten. Maar kort daarop ontdekte ze dat hij nóg een vriendin had.
Na veel ruzies, geklap met deuren, glazen door de kamer, tranen, is
hij gegaan. Zij bleef en toen is het fout gegaan met haar.